DOT proof? Weten we pas na de zomer

In hoeverre alle ziekenhuizen en ZBC’s nu echt DOT-proof zijn, weten we pas over een paar maanden. Als het niet zo is, zal dat in ieder geval niet liggen aan de zorgvuldigheid van de voorbereiding in de meeste instellingen. 

De overgang van DBC naar DOT heeft als doel de registratie van het medisch handelen in de ziekenhuizen en zelfstandige behandelcentra (ZBC’s) sterk te vereenvoudigen. Maar in eerste instantie zorgt deze overgang alleen maar voor veel extra werk, en voor onduidelijkheid bij de betrokkenen over wat nu precies van hen wordt verwacht. Dit merkte ook Jeroen Schenk van Cure4. Cure4 heeft de afgelopen maanden veel ziekenhuizen en ZBC’s bijgestaan om “DOT-proof” te worden. “Wat je ziet in vergelijking met de vorige jaren is dat sinds 1 januari van dit jaar veel meer zorgactiviteiten worden vastgelegd”, zegt hij. “En het is ook van essentieel belang voor ziekenhuizen en DBC’s om dit te doen, want aan die activiteiten worden waarden toegekend en die vertalen zich in wat ze betaald krijgen voor hun werk. Registreer je minder dan je feitelijke activiteit, dan wordt uit die registratie een lager zorgproduct afgeleid en krijg je dus ook minder geld uitbetaald. Dus volstaat het niet om alleen ‘activiteiten dagverpleging’ te registreren, maar moet ook expliciet ‘inbrengen infuus’ worden geregistreerd, en ook alle andere handelingen. Onontkoombaar, want je wilt als zorgaanbieder op de kostprijs concurreren met de andere aanbieders, dus moet je die kostprijs ook gedetailleerd kennen. Die vormt de basis voor de inkooponderhandelingen die je met de zorgverzekeraar voert. Bovendien biedt de registratie stuurinformatie die je nodig hebt om je eigen organisatie optimaal te kunnen managen en om te kunnen benchmarken.”

Nieuwe kennis nodig
Dat dit in huis tot spanning kan leiden, begrijpt Schenk heel goed. Bestuurders zullen enerzijds medisch specialisten de ruimte willen geven om hun werk autonoom te doen, maar zullen anderzijds ook willen sturen op verschillen in medisch handelen tussen individuele medisch specialisten. En verpleegkundigen willen hun tijd kunnen besteden aan patiëntenzorg in plaats van aan registratie. Bovendien is op de werkvloer de ICT-dichtheid niet zo hoog en de kennis ervan evenmin. “En daar komt nog bij dat ze de specifieke DOT-kennis van hun afdeling moeten kennen”, zegt Schenk. “Die kennis kan ook nog eens specialisme-afhankelijk zijn, dus dit vraagt veel nieuwe kennis op afdelingen waar veel specialismen bij elkaar komen.”
Als typisch voorbeeld hiervan noemt Schenk de cataractingreep bij oogheelkunde. In de DBC-systematiek golden hiervoor drie verrichtingen die tot één DBC konden leiden. Onder DOT kunnen die leiden tot drie verschillende zorgproducten. Een ander voorbeeld geldt de dure geneesmiddelen die voor oncologische behandeling kunnen worden voorgeschreven. Die werden tot vorig jaar op nacalculatie in het functionele budget berekend, maar worden nu meegerekend in het DOT-product. Schenk legt uit: “Dit vraagt om een afgeleide “add-on” die vroegtijdig gedeclareerd moet worden. Hiervoor is naadloos contact met de apotheek vereist, om dit wekelijks te kunnen doen. En het blijkt nogal eens een probleem om dit binnen het ziekenhuisinformatiesysteem op de juiste plek te laten landen. Beide partijen – de afdeling oncologie én de apotheek – moeten daar nog een slag in maken.”

Voordelen pas op termijn
In eerste instantie wordt het registratiewerk voor de ziekenhuizen en ZBC’s dus met DOT zeker niet eenvoudiger, waarschuwt Schenk. “Op dit moment zijn ze juist alleen maar bezig de registratie uit te breiden”, zegt hij. “Vooral de grote ziekenhuizen voelen wel de inkrimping van 30.000 DBC’s naar 3.000 productgroepen. Maar de kleinere ziekenhuizen – die lang niet alle verrichtingen deden waarvoor tot dit jaar een DBC gold – hebben veel minder voordeel van die beperking. En daar staat dus, zoals ik al stelde, wel tegenover dat ze veel nauwkeuriger moeten gaan registreren.”
Zal DOT uiteindelijk wel voordelen bieden? Dat zal per instelling verschillen, denkt Schenk. Hij legt uit: “Een aanbieder die zijn bronregistratie al op orde heeft, zal zijn administratieve last uiteindelijk zien afnemen. Maar tot scherpere inkooponderhandelingen leidt de systematiek op dit moment nog niet. En dat kan ook niet zo lang in de groei van het aanbod een plafond is ingebouwd waardoor de marktwerking er grotendeels uitgeslagen wordt.”
Het uiteindelijke voordeel moet zijn dat transparantie ontstaat over de vraag hoe de zorg wordt geleverd. Het feit dat er minder zorggroepen zijn, moet ertoe leiden dat dit op zorgeenheidniveau duidelijk wordt. “Je hoeft als zorgaanbieder dus minder keuzen te maken”, zegt Schenk. “En aan de afleiding heb je geen werk, want die geschiedt extern door de grouper. Maar voordat het zover is, zullen de extra controlestappen die worden gezet alleen maar zorgen voor een verzwaring van de administratieve last. Maar ik geloof op zich wel in de plausibiliteit van het geschetste voordeel dat meer inzicht in het proces ontstaat, zodat daarin verbeterstappen kunnen worden gezet. Dat procesinzicht was in de DBC-systematiek echt een grijs gebied. En door de nieuwe systematiek moet de beloning van de medisch specialisten ook realistischer worden.”

In de zomer weten we meer
Inmiddels ligt de introductie van DOT enkele maanden achter ons. Zijn de ziekenhuizen nu ook echt DOT-proof? Volgens Schenk is dat een definitiekwestie. “Het heeft niet alleen met ICT en processen te maken”, verduidelijkt hij, “maar ook met communicatie en opleiding. De ICT-registratie hebben ze wel op orde. Nu is de vraag of elke softwareleverancier aan de zijde van de ziekenhuizen en de zorgverzekeraars klaar is voor de volgende stap van facturering en het versturen van informatie naar de grouper. Op het moment van schrijven van deze tekst weten we nog niet wat in de eerste registraties de uitval is. Pas als we die informatie hebben, weten we wat de kwaliteit van de registratie echt is. Ziekenhuizen weten dus pas in juli of augustus of ze écht DOT-proof zijn. Voor grotere ziekenhuizen is het scala aan zorgproducten groter en is de zaak dus complexer. En dus is voor hen ook het antwoord nog moeilijker te geven. Ook weten we nog niet wat de effectiviteit van de opleidingen is geweest en hoe goed de communicatie over DOT was.”
ZBC’s hebben veel minder producten, zeker als ze gespecialiseerd zijn in hun behandelaanbod. Het proces was bij hen dan ook eenvoudiger voor te bereiden, stelt Schenk. Dat geldt zowel voor de implementatie van DOT in de ICT-systemen als voor de opleiding en communicatie.

Gebruikmaken van externe kennis
Hoewel de meeste zorgaanbieders wel een of twee mensen in huis hebben met specifieke kennis van de wet- en regelgeving, beschikken ze niet allemaal in de breedte over voldoende mensen in huis met kennis van wat DOT voor hen gaat betekenen. “Zo’n grootschalige implementatie moet je echt projectmatig aanpakken”, zegt Schenk. “En als je daarvoor niet de mensen in huis hebt, moet je die inhuren. De meeste zorgaanbieders hebben het laatste gedaan. Begrijpelijk, want de piek om zo’n proces te organiseren is erg hoog en haal die dan maar eens uit je bestaande voorzieningen. Je wilt er ook geen mensen voor aannemen, dus dan is het logisch dat je ze voor de duur van de projectperiode inhuurt. Maar er zijn ook nu nog wel instellingen die bezig zijn met het proces, en die dus binnenkort gaan ondervinden welke nadelige financiële gevolgen dit voor hen gaat hebben. Dat zijn dan ZBC’s, de ziekenhuizen zijn echt wel op tijd begonnen. NVZ vereniging van ziekenhuizen heeft daarin een rol gespeeld door informatie voor ze te verzamelen en met ze te delen en door als discussiepartner op te treden voor de Nederlandse Zorgautoriteit en DBC Onderhoud.”

©2018 Cure4 |

Nieuwsbrief | Disclaimer | Privacy Statement | Website | Cure4 Legal | Website | Cure4 AFAS | Website | Cure4 Zorgadministratie | Website | Cure4 Finance & Control
Contact