Zorgadministraties in gesprek

Maandag 13 maart was ik aanwezig op de bijeenkomst ‘Zorgadministraties in gesprek’. Het doel van deze door de NZa georganiseerde middag was voor zorgadministraties om kennis uit te wisselen en van elkaars ervaringen te leren. Wat ik interessant vond om te zien was dat de aanwezigen elkaar graag vertelden over oplossingen die bedacht zijn op regelgevingsvraagstukken in hun organisatie. 

Wijzigingen add-on geneesmiddelen

De middag begon met een presentatie van Margot Overgaag van de NZa over de wijzigingen die afgelopen jaar zijn doorgevoerd in de dure geneesmiddelen systematiek. De hoeveelheid handmatig werk tijdens en na de invoering blijkt erg afhankelijk te zijn van de ICT-systemen in het ziekenhuis. Sommige ICT-leveranciers zijn verder met de implementatie en bieden meer ondersteuning in het gehele proces dan andere. De NZa erkende de problematiek van de invoering in ziekenhuizen en gaf aan veel in gesprek te zijn met de betrokken partijen in de zorg. Een van de uitkomsten van deze gesprekken is het ingroeimodel (zie CI/16/51c), waarmee de verplichting de indicatie op de factuur te vermelden iets is versoepeld.

Discussieronde

Mijn vooraf ingestuurde vraag aan de NZa was:

‘Hoe registreren andere ziekenhuizen geleverde zorg aan patiënten die met meerdere zorgvragen op de SEH komen, en die voor deze zorgvragen alleen gezien en behandeld worden door de SEH-arts?’

Ik zie in de praktijk dat kleine streekziekenhuizen maar één dbc kunnen openen voor deze patiënten, omdat er slechts één face-to-face contact is en dus maar één polikliniekbezoek geregistreerd kan worden. Dit terwijl de SEH-arts twee zorgvragen diagnosticeert en behandelt, vaak met telefonische input van medisch specialisten, maar voor de geleverde zorg geen twee dbc’s kan declareren. Dit vraagstuk wakkerde een levendige discussie op tussen de deelnemers, wat aangaf dat meerdere zorgadministraties te maken hebben (gehad) met dit probleem. Onderstaand mijn visie op de geopperde oplossingen.

Patiënt later terug laten komen op de poli

Een oplossing zou kunnen zijn de patiënt later in het traject terug te vragen op de poli, zodat alsnog een polikliniekbezoek gerekend kan worden voor de tweede zorgvraag, waarvoor de patiënt door de SEH-arts is behandeld. Ik vind deze methode geen goede optie, aangezien er geen medische noodzaak is de patiënt terug te zien op de poli. Het leveren van patiëntgerichte en kwalitatief goede zorg moet het voornaamste doel blijven bij het leveren van zorg, financiële doelen zouden hierbij nooit mogen meespelen.

Langslopen medisch specialist op SEH

Medisch specialisten komen geregeld naar de SEH om een patiënt te beoordelen en/of te behandelen. Wanneer een patiënt zich meldt met meerdere zorgvragen zou besloten kunnen worden de medisch specialist er standaard bij te vragen, zodat het tweede face-to-face contact gemaakt is en er dus nog een polikliniekbezoek geregistreerd kan worden. Deze optie is voor de patiënt minder onvriendelijk dan de patiënt later op de poli terug te laten komen, maar ook hier vind ik dat medische noodzaak zwaarder zou moeten wegen dan het declarabel maken van de dbc. Bovendien kost het de medisch specialist meer tijd om naar de SEH te komen dan een telefonisch overleg met de SEH-arts te voeren.

Inzichtelijk maken niet declarabele zorg

De laatste besproken optie en wat mij betreft de beste optie is alle niet declarabele zorg te registreren in een ondersteunend traject behorend bij de declarabele dbc. Deze zorg kan vervolgens achteraf worden verrekend onder de medisch specialisten, bijvoorbeeld via Logex. Deze optie vereist een goede inrichting van de ICT-systemen in het ziekenhuis, waar ICT-leveranciers vaak ondersteuning voor kunnen bieden.

Heeft u ook vragen over de interpretatie van NZa regelgeving? Neem dan gerust contact op met één van onze dbc-experts.

©2018 Cure4 |

Nieuwsbrief | Disclaimer | Privacy Statement
Contact